Album Academicum

Hoogleraren van 1632 tot heden

Toelichting op de inhoud

Personalia

Opleiding

Functie

Bronnen en literatuur

Personalia

Titulatuur

Titel

Historische academische titels, die van oorsprong uit de Middeleeuwen stammen, zijn zowel chronologisch als geografisch zeer gevarieerd. Op titelbladen van oraties en proefschriften en in andere geschriften zoals lijkdichten en lofdichten worden zij vaak vermeld. Voor een overzicht van titels, zie onder Examengraad.

Een hoogleraar heeft het recht de titel professor te voeren (afgekort tot prof.). Dit geldt op het moment dat hij zijn functie uitoefent. Daarnaast mogen oud-hoogleraren aan wie eervol ontslag is verleend, in verband met het bereiken van de wettelijke leeftijdsgrens of wegens vrijwillig vervroegd uittreden of om gezondheidsredenen, deze titel behouden. De titel professor wordt dikwijls gecombineerd met academische titels als doctor en meester. Ook in vroeger eeuwen werd de titel professor gebruikt als aanspreektitel voor hoogleraren, naast de term magister (afgekort tot mag.).

Na de Tweede Wereldoorlog kwam een discussie op gang over de bescherming en officiële erkenning van aan bepaalde universitaire examens verbonden titels. Pas in 1960 werd vastgesteld wie de titel doctorandus, doctor, meester, ingenieur - vóór de naam geplaatst en afgekort tot drs, dr., mr. en ir. - mocht gebruiken. In 1972 volgde ing. (ingenieur) voor hen die aan hogere technische scholen en landbouwscholen studeerden. Vanaf 1985 mag de titel drs. vervangen worden door de M van master, te plaatsen achter de naam.

Adellijke titels en predikaten en kerkelijke titels

De volgende titels en predikaten komen in het Album Academicum voor: Jhr. (Jonkheer), O.P. (Ordo Praedicatorum, orde der Predikheren of Dominicanen) en S.J. (Societatis Jesu, van het Genootschap van Jezus; jezuïet).

naar boven

Opleiding

Opleiding

Tot in de negentiende eeuw vormden rechten, medicijnen en theologie de belangrijkste universitaire studies. Voorafgaand aan specialisering volgde men een basisopleiding met een algemeen vormend karakter, de zogenaamde Artes. Onderdelen waren letteren en wijsbegeerte, geschiedenis en wis- en natuurkunde. In 1815 werd deze basisopleiding gesplitst in letteren en wijsbegeerte en wis- en natuurkunde. In 1877 werden letteren en wijsbegeerte en wis- en natuurkunde volwaardige faculteiten met dezelfde status als rechten, medicijnen en theologie. Vanaf de twintigste eeuw en vooral na de Tweede Wereldoorlog was er een explosieve groei van opleidingen. De opleidingen en het groeiende aantal erkende vakgebieden waren noodzakelijkerwijs niet uniform. Internationalisering en de veranderende wetgevingen en status van universiteiten, technische scholen en hoge scholen speelden hierbij een rol.

Examentype

In het Album Academicum worden drie examentypes onderscheiden: doctoraal/master, promotie en beroepsopleiding.

  1. Doctoraal/master

    Dit is het examen dat afgelegd dient te worden, alvorens toegelaten te kunnen worden tot de promotie. Na het behalen van het examen heeft iemand de graad van doctorandus (drs.) of Master (M). Het doctoraalexamen kwam in zwang in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw, het eerst bij economen en letterkundigen. Vanaf 2002 is het doctoraal vervangen door de Angelsaksische equivalent, de Master. Afhankelijk van het vakgebied is dit meestal een Master of Arts (MA), Master of Laws (LLM) of Master of Science (MSc). In deze categorie vallen ook de onderwijsbevoegdheid en het ingenieursexamen.

  2. Promotie

    Bij promotie aan een universiteit wordt de doctorsgraad verkregen. Dit is de hoogste academische graad. Hiervoor moet een proefschrift worden geschreven dat in het openbaar verdedigd wordt. Bij elke promotie wordt een promotiecommissie benoemd. Deze bestaat naast de promotor en de eventuele copromotor uit ten minste drie en ten hoogste vijf andere personen. De promotoren moeten hoogleraar zijn. De taak van de copromotor is om de promotor bij te staan in de begeleiding en een beknopt oordeel te geven. De formele examengraad is het doctoraat, afgekort tot doctor (dr.). Een bijzonder goede prestatie wordt beloond met het predikaat cum laude (met lof).

    In voorgaande eeuwen werd dikwijls op stellingen gepromoveerd. Bij rechten bleef dat in de praktijk tot 1921 mogelijk. Het toevoegen van stellingen aan een proefschrift was aanvankelijk verplicht, tegenwoordig is het optioneel.

    Andere vormen van promotie:

    Eredoctoraat of doctoraat honoris causa:
    Vanaf 1897 zijn aan de Universiteit van Amsterdam eredoctoraten verleend aan mensen die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd. Dit kan zowel op wetenschappelijk, maatschappelijk of cultureel gebied zijn. In het verleden was het gebruikelijk dat theologen niet promoveerden op de gebruikelijke wijze maar een doctoraat honoris causa kregen.

    PhD:
    In de context van de groeiende internationalisering komen buitenlandse graden steeds vaker voor. De PhD, ofwel Doctor of Philosophy, wordt beschouwd als de equivalent van het doctoraat en komt het meest voor. Academische graden zijn echter zo divers dat het niet mogelijk is om ze allemaal te vermelden.

    Habilitation:
    De Habilitation is een kwalificatie die verkregen wordt na een uitbreiding of verdieping van het proefschrift. Het wordt veelal vereist voor een hoogleraarschap in Duitstalige landen, hoewel deze voorwaarde tegenwoordig ter discussie staat.

  3. Beroepsopleiding

    Dit zijn examens die duidelijk gericht zijn op praktijkgerichte beroepen. Dit kan zowel op middelbaar als op hoger niveau zijn. Het meest komen voor het accountantsexamen, het artsexamen, het proponentsexamen (predikanten) en de MO akte (onderwijzers).

naar boven

Examengraad

Het Athenaeum Illustre kende geen examen- en promotierecht. Pas na de verheffing tot Universiteit van Amsterdam in 1877 werden academische graden verleend. Indien een student zijn examen heeft afgelegd in bijvoorbeeld Leiden, Groningen of Utrecht, maar zijn studie aan het Athenaeum Illustre heeft gevolgd, wordt dit aangegeven.

De academische graden van vóór de twintigste eeuw zijn zeer divers, zowel chronologisch als geografisch. Alleen al binnen Nederland zijn er verschillen. Iemand die in de achttiende eeuw in Groningen studeerde, kan bijvoorbeeld een andere examengraad hebben dan iemand die in Leiden exact dezelfde studie volgde. Elke universiteit had zo haar eigen systeem, dat veranderde als gevolg van ontwikkelingen in het onderwijs.
Vanaf 1815 kon men bij geneeskunde na het behalen van de graad Medicinae Doctor (MD) promoveren in de chirurgie, de verloskunde en de farmacie. In 1877 werd besloten om gesplitste doctoraten in te voeren. Deze doctoraten werden gespecificeerd naar faculteit en opleiding. Van 1921 tot ca. 1985 werden doctoraten alleen gespecificeerd naar faculteit; vanaf 1985 wordt ook deze specificatie niet meer opgenomen.

Met de groei van het aantal faculteiten vanaf 1945 werden nieuwe doctoraten ingevoerd. In de jaren zestig veranderden de meeste namen van de faculteiten, wat in de doctoraten tot uitdrukking komt. Deze naamswisselingen zijn niet gelijk voor alle toenmalige universiteiten in Nederland.

De onderstaande lijst van academische graden gaat tot midden jaren tachtig en is niet uitputtend. Exacte data zijn niet aangegeven, omdat zelfs binnen één universiteit graden op verschillende momenten veranderden. Bovendien had niet elke universiteit exact dezelfde opleiding.

Doctoraten van 1632 tot 1877

Artes; Letteren en Wijsbegeerte; Wis- en Natuurkunde:
Rechten:
Godgeleerdheid:
Geneeskunde:

Doctoraten van 1 januari 1877 tot 18 september 1921:

Doctoraten van 19 september 1921 tot 1 september 1986:

Instelling

In dit veld worden de plaats, het land, en een omschrijving van de instelling aangegeven waar het examen behaald is. Soms worden buitenlandse instellingen bij naam genoemd. Gezien de omvangrijke periode, de verschillende instellingen met veranderende namen en status, en het feit dat het zowel om Nederlandse als buitenlandse instellingen gaat, is de invulling zeer divers.

Wetenschappelijke discipline

Hier zijn de trefwoorden opgenomen die het onderwerp van het proefschrift zo nauwkeurig mogelijk omschrijven. Zij zijn ontleend aan de Nederlandse Basisclassificatie en de Gemeenschappelijke Trefwoorden Thesaurus.

naar boven

Functie

Datum benoeming en aanstelling

Aan het Athenaeum Illustre werden de hoogleraren benoemd door het stadsbestuur van Amsterdam. De benoemingsdata van hoogleraren zijn daardoor data van besluiten, genomen in de raadsvergaderingen van het stadsbestuur (tot 1795) of de gemeenteraad (vanaf 1795).
Ook na de verheffing van het Athenaeum Illustre tot universiteit in 1877 bleef de gemeente - die de universiteit bekostigde - verantwoordelijk voor de benoeming van hoogleraren en lectoren. Vanaf die datum echter diende een benoeming door de gemeenteraad tevens koninklijk te worden bekrachtigd en volgde er dus ook een Koninklijk Besluit. In het Album Academicum is als benoemingsdatum veelal de datum van het Koninklijk Besluit gebruikt. Indien deze datum onbekend is - vooral in de periode voor de Tweede Wereldoorlog - zijn de data van de gemeentelijke besluiten gebruikt.

Tussen 1961 en 1971 werden de hoogleraren en lectoren benoemd door het College van Curatoren; hierin zaten enkele gemeenteraadsleden. Vanaf 1971 speelt de gemeenteraad geen rol meer en benoemt het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam haar hoogleraren. Tot 1986 echter moest hier nog altijd een koninklijke goedkeuring op volgen. Ook in deze periode kon er dus sprake zijn van twee verschillende benoemingsdata.
Dat de voorbereiding van een Koninklijk Besluit een langdurig proces kon zijn, blijkt uit het feit dat de data van deze besluiten dikwijls volgden op die van de aanstelling.

Indien de datum van de benoeming niet bekend is, wordt alleen de datum van de aanstelling weergegeven.

Benoeming en aanstelling

Situatie aan het Athenaeum Illustre:

Het aantal hoogleraren dat tussen 1632 en 1877 aan het Athenaeum Illustre een aanstelling had was niet groot: slechts circa 140. De meeste waren gewoon hoogleraar ofwel ordinarius. Daarnaast waren er enkele buitengewoon hoogleraren oftewel extraordinarii. Het belangrijkste verschil tussen beide functies was dat de extraordinarius deeltijd werkte. Hij had een iets lagere status. Zowel gewoon als buitengewoon hoogleraren werden betaald door de stad en ontvingen collegegeld van de studenten. In sommige gevallen kwamen daar emolumenten bij (zoals vrij wonen, een aandeel in de examen- en inschrijvingsgelden en dergelijke). Vanaf 1867 ging het collegegeld van de geneeskunde- en farmaciestudenten direct naar de gemeentekas en kregen de hoogleraren en lectoren een aandeel.
Enkele hoogleraren werden eerst 'toegelaten' om onderwijs te geven, zonder hiervoor altijd betaald te worden. De meesten werden vervolgens officieel benoemd. Sommige andere hoogleraren hadden een adjunct-hoogleraar naast zich, die een deel van hun onderwijs overnam en die door hen doorgaans uit eigen zak werd betaald.

Onderwijs in de heel- en verloskunde viel in de zeventiende en achttiende eeuw onder toezicht van het Collegium Chirurgicum. De docenten, de zogenaamde praelectores anatomiae, waren niet verbonden aan het Athenaeum Illustre. Zij gaven openbare lessen die studenten van het Athenaeum konden bijwonen. De praelector gaf les in de anatomie en was belangrijk voor de ontwikkeling van het onderwijs in de heelkunde. In 1798 werd het Collegium Chirurgicum opgeheven. De opvolger hiervan, de Klinische School, werd pas in 1828 opgericht. Ook de Klinische School stond los van het Athenaeum Illustre, maar het was studenten van het Athenaeum toegestaan de klinische lessen in het Binnengasthuis te volgen. Leerlingen van de Klinische School konden sommige vakken aan het Athenaeum Illustre volgen. De hoogleraren van de Klinische School waren als honorair hoogleraar aan het Athenaeum Illustre verbonden.

Een vergelijkbare situatie geldt voor het onderwijs in de theologie. Er waren in Amsterdam diverse seminaria waar leerlingen werden opgeleid tot predikant. Ook hier had men ordinarii en extraordinarii, benoemd door hun kerkgenootschap, en géén hoogleraar aan het Athenaeum Illustre. Het Athenaeum Illustre had zijn eigen hoogleraren in de theologie.

Situatie aan de Universiteit van Amsterdam:

In de loop van de twintigste eeuw werd een aantal functies afgeschaft, zoals die van lector en buitengewoon hoogleraar. Sinds 1985 worden er nog drie soorten hoogleraren door de wet onderscheiden: de gewoon hoogleraar, de bijzonder hoogleraar en de kerkelijk hoogleraar. Door toevoegingen wordt soms een extra dimensie gegeven aan het hoogleraarschap, zoals in het geval van de universiteitshoogleraar of strategisch hoogleraar. Onderstaande lijst geeft de belangrijkste kenmerken van de verschillende functies aan.

Gewoon hoogleraar

De gewoon hoogleraar wordt aangesteld voor het geven van onderwijs en het doen van onderzoek. Hij heeft een officiële leeropdracht en zijn aanstelling kan zowel deeltijd als voltijd zijn. Hij is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van zijn wetenschapsgebied en heeft daarnaast dikwijls bestuurlijke verantwoordelijkheden.

Bijzonder hoogleraar

De bijzonder hoogleraar wordt benoemd door een (externe) instantie en wordt ook door die instantie betaald. Bijzondere leerstoelen hebben onder andere als doel een relatie te leggen tussen een maatschappelijke organisatie en een universiteit. Bijzonder hoogleraren hebben vaak een deeltijdfunctie en bekleden daarnaast een andere functie. Zij worden voor vijf jaar benoemd. Vestigers variëren van instituten zoals het Koninklijk Instituut voor de Tropen, tot Stichting Nationaal Popinstituut, tot Wiardi Beckman Stichting en het Nederlands Kankerinstituut. Strikt genomen heeft een bijzonder hoogleraar dus geen benoeming aan de universiteit.

Kerkelijk hoogleraar

De functie van kerkelijk hoogleraar is vergelijkbaar met die van de bijzonder hoogleraar. De Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 bepaalde dat de universiteit alleen wetenschappelijk onderwijs mocht verzorgen. De praktijkopleiding tot predikant werd daarom overgeheveld naar de kerkelijke seminaria, waar kerkelijke hoogleraren de dogmatische vakken moesten verzorgen. Kerkelijk hoogleraren worden benoemd en bezoldigd door het desbetreffende kerkgenootschap, dat daarvoor in de regel rijkssubsidie ontvangt.

Buitengewoon hoogleraar

In de periode 1877-1905 hield alleen de Universiteit van Amsterdam het buitengewoon hoogleraarschap in stand. Bij de rijksuniversiteiten was deze rang tijdelijk afgeschaft. De buitengewoon hoogleraar verschilde ook na 1877 met de gewoon hoogleraar met name in het feit dat het om een deeltijdfunctie ging. Ook de bevoegdheden van de buitengewoon hoogleraar waren veelal kleiner dan die van de gewoon hoogleraar. Tot 1905 hadden buitengewoon hoogleraren geen examen- en promotierecht. De functie van buitengewoon hoogleraar werd in 1985 afgeschaft.

Gewoon Lector

Lectoren bestonden reeds aan het Athenaeum Illustre. Zij kunnen beschouwd worden als hoogleraren van de laagste rang. Lectoren hadden een echte leeropdracht en werden vanaf 1877 benoemd door de kroon. In 1980 werd deze functie afgeschaft. De meeste lectoren werden dat jaar hoogleraar.

Buitengewoon lector

Evenals bij de buitengewoon hoogleraar is hier sprake van een deeltijdbetrekking.

Bijzonder lector

Vergelijkbaar met de functie van bijzonder hoogleraar, ditmaal gaat het om een lector die aangesteld en betaald wordt door een derde partij.

Onbezoldigd gewoon hoogleraar

De functie onbezoldigd gewoon hoogleraar komt in tweeërlei vorm voor. Ten eerste zijn er hoogleraren die met emeritaat zijn, maar nog voor een bepaalde tijd onbezoldigd promovendi begeleiden, onderzoek doen of af en toe een college geven. Daarnaast zijn er gewoon hoogleraren die een officiële onbezoldigde aanstelling hebben. Het gaat hier meestal om een tijdelijke aanstelling, vaak in deeltijd, omdat de betreffende hoogleraar elders een hoofdbetrekking heeft. Er wordt echter net als voor gewoon hoogleraren een officieel aanstellingsbesluit opgesteld.

Onderwijsopdracht

Hoogleraren kunnen aangesteld zijn met alleen een onderwijsopdracht voor een bepaalde periode. Soms gaat deze functie vooraf aan een volwaardige aanstelling als hoogleraar of lector. Het kan ook voorkomen dat een hoogleraar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd verzocht wordt om nog enige tijd onderwijs te geven totdat er een opvolger is.

Gasthoogleraar

Een gasthoogleraar wordt tijdelijk aangesteld, meestal voor het geven van een reeks colleges. Gasthoogleraren worden in de wet niet onderscheiden van gewoon hoogleraren. Zij zijn vaak afkomstig uit het buitenland. Gasthoogleraren die uit eigen beweging wel eens een gastcollege of workshop verzorgen en voor wie geen besluit wordt opgemaakt, zijn niet in het Album Academicum opgenomen.

Privaatdocent

Het privaatdocentschap wordt in het Album Academicum alleen genoemd om de gehele loopbaan van de desbetreffende hoogleraar weer te geven. Privaatdocenten zijn toegelaten en hebben als belangrijkste taak het verzorgen van het onderwijs. Ook kunnen zij college geven in een vak dat nog niet gedoceerd wordt aan de universiteit. Het privaatdocentschap is zonder salaris en is nog altijd een bestaande betrekking aan de Universiteit van Amsterdam.

Honorair hoogleraar

Vanaf 2001 kent de Universiteit van Amsterdam de bijzondere positie van honorair hoogleraar. Dit kan gezien worden als een erebaan voor iemand die al (emeritus) hoogleraar is. Het betreft meestal benoemingen van een hoogleraar van buiten de eigen universiteit, die zich op wetenschappelijk gebied zeer onderscheiden heeft. Van de honorair hoogleraar wordt verwacht dat hij of zij met enige regelmaat gastcolleges geeft of voordrachten houdt, dan wel een bijdrage aan het onderzoek levert. Zowel Nederlandse als buitenlandse hoogleraren kunnen benoemd worden als honorair hoogleraar.

Bijzondere Categorie

Universiteitshoogleraar

Sinds 1996 worden aan de Universiteit van Amsterdam universiteitshoogleraren benoemd. Een universiteitshoogleraar kan beschouwd worden als een gewoon hoogleraar, met als grootste verschil dat hij of zij officieel geen deel uitmaakt van een faculteit. Dit is inherent aan hun taak: universiteitshoogleraren worden geacht een impuls te geven aan wetenschappelijke ontwikkelingen door disciplineoverstijgende activiteiten.

Ad personam

De ad personam of persoonsgebonden leerstoel wordt ingesteld vanwege de kwaliteit van een persoon en diens grote verdiensten op een bepaald wetenschapsgebied. In de meeste gevallen verdwijnt de leerstoel dan ook bij vertrek van deze persoon. Dit in tegenstelling tot andere leerstoelen, waarbij een nieuwe hoogleraar wordt benoemd op het moment dat de zittende hoogleraar weggaat, meestal met dezelfde leeropdracht. Dat het benoemen van een hoogleraar ad personam al heel lang bestaat, bewijst Frederik Ruysch, die in 1685 op persoonlijke titel door het stadsbestuur tot hoogleraar werd benoemd.

Strategisch

De strategische leerstoel wordt ten behoeve van een stimuleringsgebied ingesteld en kan zowel voltijd als deeltijd zijn. Hoogleraren worden in principe voor vijf jaar benoemd. Daarna kan herbenoeming plaatsvinden. Strategisch hoogleraren zijn dikwijls specialisten op een specifiek deelgebied en hebben vanwege hun deskundigheid internationale relaties en contacten.

Wissel

Er zijn diverse soorten wisselleerstoelen. De meeste wisselleerstoelen hebben een naam, zoals de bekende Van der Waals-Zeeman wisselleerstoel op het gebied van de natuurkunde. De periode van benoeming van de hoogleraar hangt af van de reglementen van de leerstoel en kan variëren van enkele maanden tot 1 of 2 jaar. Er zijn ook enkele bijzondere wisselleerstoelen.

Herstel in functie

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd een groot aantal hoogleraren door de bezetter ontslagen. De leerstoel bleef vervolgens leeg of er werd iemand anders benoemd, die de goedkeuring van de bezetter kon wegdragen. Op basis van het Besluit Rechtsherstel ontslagen ambtenaren (7 september 1944) nam het Gemeentebestuur in het voorjaar van 1945 het besluit een deel van deze hoogleraren met ingang van 7 mei 1945 in hun oude functie te herstellen.

Leeropdracht

Omschrijving van het vakgebied waarin een hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent. Vóór 1877 hadden de curatoren de vrijheid het onderwijs naar eigen inzicht te verdelen over de hoogleraren. Het Athenaeum Illustre kende wel globale leeropdrachten. Vanaf 1877 - na de eerste wet op het Hoger Onderwijs - werden hoogleraren uitsluitend op een specifiek omschreven vakgebied aangesteld. Over de gehele periode is goed te zien hoe leeropdrachten zich ontwikkelden van zeer breed tot zeer specialistisch.

Instelling

Onderwijsinstelling waar de hoogleraar aangesteld is. Het Album Academicum bevat niet alleen de namen van hoogleraren verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en het Athenaeum Illustre, maar ook hoogleraren verbonden aan Amsterdamse opleidingsinstituten, waarmee een sterke band bestond en die van belang waren voor de groei van het onderwijs in Amsterdam.

De volgende instellingen komen voor:

Eenheid

In tegenstelling tot de universiteiten kende het Athenaeum Illustre officieel geen faculteiten. Vanaf 1848 werden zij echter in de praktijk wel onderscheiden. Er bestonden twee propedeutische faculteiten en drie hogere. Vanaf 1877 werden alle faculteiten gelijkwaardig in status.

Propedeutische faculteiten:

Hogere faculteiten:

Hieronder volgt een overzicht van faculteiten, per vakgebied, aan de Universiteit van Amsterdam van 1877 tot heden.

Genees- en tandheelkunde:

Godgeleerdheid:

Rechten:

Geesteswetenschappen:

Natuurwetenschappen, wiskunde, informatica:

Economie:

Maatschappij- en gedragswetenschappen:

Inter- en Verenigde faculteiten:

Reeds vanaf 1921 had men de behoefte om nieuwe, veelal interdisciplinaire opleidingen onder te brengen in faculteiten. In de loop der tijd werden hiervoor zes Verenigde faculteiten opgericht, die elk kortere of langere tijd hebben bestaan. In 1963 werden deze vervangen door drie interfaculteiten. Hoewel de leerstoel in verscheidene faculteiten was ondergebracht, had de hoogleraar aan een interfaculteit altijd een aanstelling aan één van de hoofdfaculteiten. Aan interfaculteiten konden geen doctoraten worden behaald, met uitzondering van wijsbegeerte (Centrale Interfaculteit).

Tussen 1960 en 1987 kon een faculteit zijn opgedeeld in verschillende subfaculteiten. Deze zijn vergelijkbaar met de huidige afdelingen. De verschillende subfaculteiten werden grotendeels in de loop van de jaren zestig opgericht. Zij ondergingen vaak diverse naamwijzigingen. Hoewel in alle faculteiten subfaculteiten ingesteld waren, zijn in het Album Academicum alleen de subfaculteiten binnen de Faculteit der Sociale Wetenschappen en binnen de Faculteit der Natuurwetenschappen en Wiskunde aangegeven, omdat deze in 1987 tot volwaardige faculteiten uitgroeiden.

Faculteit der Sociale Wetenschappen:

Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen:

Wetenschappelijke discipline

Hier zijn de trefwoorden opgenomen die het overkoepelende vakgebied en de leeropdracht van de hoogleraar zo nauwkeurig mogelijk omschrijven. Zij zijn ontleend aan de Nederlandse Basisclassificatie en de Gemeenschappelijke Trefwoorden Thesaurus.

naar boven

Bronnen en literatuur

Archieven

UvA Services – Afdeling Documentaire Informatievoorziening:

Pedel van de Universiteit van Amsterdam:

Bijzondere Collecties Universiteitsbibliotheek Amsterdam:

Benoemingsbesluiten van hoogleraren en lectoren en hun leeropdrachten van het Athenaeum Illustre en de Universiteit van Amsterdam zijn te vinden in de archieven van de burgemeesters en de vroedschap (tot 1795), van het nieuw stedelijk bestuur (1795-1813) en van de gemeenteraad van Amsterdam (sedert 1814), alsmede in de archieven van het Athenaeum Illustre en van de Universiteit van Amsterdam. Voor een gedetailleerde aanduiding van deze archieven en hun vindplaatsen zij verwezen naar P.J. Knegtmans, Professoren van de stad: het Athenaeum Illustre en de Universiteit van Amsterdam, 1632-1960 (Amsterdam 2007).

Literatuur

Digitale bronnen

naar boven